De volledige column van Pieter van den Hoogenband is te vinden op telegraaf sinds do 28 apr 2011, 06:00
AMSTERDAM - Toen Maarten van der Weijden aankondigde met zijn studie wiskunde te willen stoppen, sprong zijn vader zowat uit zijn vel. Maarten schommelde toen rond de vierde, vijfde plek van de wereld. Voorwaar een prachtige prestatie, zeker voor iemand die kanker heeft overwonnen.
Dat vond ook zijn vader, maar Maarten nam geen genoegen met een plaats net naast het podium of hooguit een bronzen medaille als-ie een hele goede dag had. Maarten wilde simpelweg de allerbeste open water zwemmer ter wereld worden en daarvoor móest hij keuzes maken. De eerste belangrijke keuze die Maarten maakte op weg naar het goud was om in Eindhoven te gaan wonen en trainen.
Met Marcel Wouda als toegewijde trainer op de kant werd Maarten min of meer mijn trainingsmaat. Ik gelóófde werkelijk in de kansen van Maarten om nummer 1 te worden en herinnerde hem daar regelmatig aan tijdens de trainingen. Vaak moedigde ik hem aan vanonder de douche. Want waar ik het na een uur of twee trainen welletjes vond, daar peddelde Maarten nog vrolijk een uurtje door. Ik hoefde het in Peking immers maar twee baantjes van 50 meter vol te houden, terwijl hij die afstand tweehonderd keer moest afleggen. Let wel, aan één stuk en zonder keerpunten.Maarten trainde zich weliswaar een breuk, maar voor staartdelingen en andere wiskundige formules bleef er steeds minder tijd over. En eigenlijk moest hij nog twee uur per dag extra trainen, zo had hij becijferd. De enige oplossing was door niet meer met zijn neus in de boeken te hoeven zitten.
De vader van Maarten probeerde hem nog op andere gedachten te brengen. "Zonder diploma kom je later nergens aan de bak, dan heb je niets aan die eventuele gouden medaille. Met open water zwemmen kun je toch niets verdienen?" En zo ging het maar door. Maar uiteindelijk ging pa Van der Weijden schoorvoetend akkoord met de keuze van Maarten. Net zoals hij zich er bij neer had gelegd, dat – als hij bij zijn zoon op bezoek ging – deze de hele tijd in een zogenaamde hoogtetent zat om meer rode bloedlichaampjes te kweken. Dat had zijn coach Marcel uitgedokterd. En aangezien Maarten blind op hem voer, was hij maanden op bivak in zijn eigen huis.
Verder droeg Maarten elke morgen ook nog een soort zonneklep met een ingebouwd lampje dat in zijn ogen scheen. Met deze ‘lichttherapie’ scheen zijn lichaam op de grote dag in Peking eerder wakker te worden, vertelde hij laatst tijdens een presentatie die wij samen aan een groep mensen van Unilever in het Olympisch Stadion van Amsterdam mochten geven.We kregen regelmatig een lachsalvo uit de zaal over ons heen, met name toen Maarten beeldend over zijn tentje vertelde en zijn pet-met-lampje demonstreerde. Juist door dit soort reacties realiseer je je met terugwerkende kracht eens te meer dat ‘wij’ topsporters wel haast een beetje gek moeten zijn.
Maar gek is niet het goede woord. Het gaat meer om bevlogenheid en - vooral - keuzes maken. En daar ook achter blijven staan! Zoals Maarten heeft gedaan, dus. Het heeft hem niet alleen een van de mooiste gouden olympische plakken in de Nederlandse sportgeschiedenis, eeuwige roem en voldoening opgeleverd. Maar ook nog eens een mooie baan op de financiële afdeling van Unilever. Het leven van Maarten verdient het om verfilmd te worden. Zijn vader mag trots op hem zijn.